Knalhard beveiligd

Waar wordt gewerkt met niet verpakte gevaarlijke stoffen, kan gevaar voor explosies dreigen. Een ‘gewone’ hef- of magazijntruck vormt dan een potentieel gevaar. Daarom moet in die situaties altijd worden gewerkt met speciale, explosiebeveiligde trucks, ook wel Ex-trucks genoemd.

Een hef- of magazijntruck ontwikkelt warmte. Onder normale omstandigheden is dat absoluut geen probleem. In magazijnen en productieomgevingen waar wordt gewerkt met niet-verpakte gevaarlijke stoffen kan die warmte echter al voldoende zijn om brandbare of zelfs explosieve stoffen te doen ontbranden. 

Om dat risico te mijden, kan een ‘gewone’ truck worden omgebouwd en voorzien van beveiligingssystemen. Er kan ook worden gekozen voor een truck die af-fabriek explosieveilig is uitgevoerd.

Ingekapseld en drukvast

Het belangrijkste verschil tussen een standaard truck en een Ex-truck is dat de motor en alle elektronische componenten bij de laatstgenoemde uitvoering zijn ingekapseld in drukvaste kasten. De gassen die ontstaan in zo’n kast worden zodanig afgekoeld, dat de gevaarlijke stoffen in de omgeving niet ontbranden. Om oververhitting te voorkomen, moet bij explosiebeveiligde trucks ook de motor direct worden uitgeschakeld zodra de handrem of het rempedaal wordt geactiveerd.

Antistatisch kunststof

Alle kunststoffen op de truck moeten bovendien antistatisch zijn. Ook de stoelbekleding. Een eventuele acteruitkijkspiegel kan ook statisch worden en mag daarom niet groter zijn dan tien bij tien centimeter.

Mocht de truck ondanks al die eisen alsnog statisch worden, dan moet die statische elektriciteit via de banden van de truck kunnen worden afgevoerd. 

Verder is een Ex-truck voorzien van een ouderwetse luchthoorn in plaats van een elektrische claxon. De mate van explosiebeveiliging van een truck hangt af van de ontbrandingstemperatuur van de stoffen waarmee wordt gewerkt.

ATEX-richtlijnen

De wettelijke eisen zijn vastgelegd in de ATEX-richtlijnen. ATEX is afgeleid van de Franse woorden ATmospheres en EXplosives. Er zijn twee richtlijnen: ATEX 1999/92/EC en ATEX 94/9/EC.

De eerste (ATEX 1999/92/EC) schrijft onder andere voor aan welke minimumeisen moet worden voldaan voor een veilige en gezonde werkomgeving. In de ATEX 94/9/EC richtlijn zijn de vereisten vermeld waaraan de truck moet voldoen.

Verschillende zones

Er worden drie zones onderscheiden voor gevaren als gevolg van gassen en dampen. Zone 0 wordt gebruikt voor omgevingen waar permanent of gedurende langere periodes een explosieve atmosfeer aanwezig is.

Zone 1 duidt omgevingen aan waar een explosieve atmosfeer zich kan voordoen in normale omstandigheden. In omgevingen aangeduid als Zone 2 doet zich in normale omstandigheden geen explosieve sfeer voor (of slechts voor een korte duur).

Ook voor gevaren als gevolg van poeders of stofdeeltjes zijn er drie zones: Zone 20, 21 en 22 (met vergelijkbare definities).